doelstelling vervolg

Toelichting auditieve- en taalvaardigheden

 

Auditieve vaardigheden

 

Auditieve aandacht

Auditieve aandacht betreft de mate van gerichtheid die het kind auditief kan opbrengen om

dat wat het hoort, in de vorm van geluiden of taal, te kunnen herkennen en begrijpen.

Het leren vasthouden van de auditieve aandacht kan geoefend worden door een stroom van auditieve stimuli aan te bieden, waaronder geluiden, lettergrepen, woorden of een verhaaltje. Het kind kan de opdracht krijgen om steeds op een bepaalde stimulus te reageren. Als de stimulus wordt gehoord, voert het kind een afgesproken handeling uit.

 

Dit doel verwerkt in 'Luister & doe mee!':

In 'Luister & doe mee!' heeft de stimulus de vorm van een bepaald (nonsens)woord, een zin met een niet kloppende inhoud, een opdracht of een tekstverwerkingsvraag. Binnen deze luistersituaties wordt een actieve handeling en/of een mondelinge reactie uitgelokt bij het kind, waardoor de auditieve aandacht telkens geprikkeld en beloond wordt. 

 

Auditief geheugen

Het auditief geheugen bepaalt de duur en mate waarin auditief aangeboden taal wordt onthouden. Het auditief geheugen is onderdeel van het zintuiglijke geheugen waarbij het gaat om het nawerken van hetgeen gezien, gehoord, gevoeld en/of geroken wordt. Het zintuiglijke geheugen neemt kort durend informatie op en wat daaruit de aandacht heeft, gaat naar het korte termijn geheugen.

Het korte termijn geheugen beschikt vervolgens ongeveer 30 seconden over deze opgenomen zintuiglijke informatie. Het auditief geheugen op korte termijn kan in het algemeen worden getraind door een aantal losse items te onthouden, zoals (nonsens)woorden, cijferreeksen, zinnen en het even onthouden waar een tekst over gaat die verwerkt moet worden.

 

Dit doel verwerkt in 'Luister & doe mee!':

In het werkboek staan bij Fase 1 diverse werkvormen voor het korte termijn geheugen beschreven, zoals het nazeggen van een reeks losse woorden met en zonder betekenisrelatie. In Fase 2 wordt dit aspect van het geheugen specifiek gestimuleerd middels het onthouden en uitvoeren van in complexiteit variërende opdrachten.

 

De dingen die langer onthouden worden, worden opgeslagen in het lange termijn geheugen of het middellange termijn geheugen in de vorm van samenhangende gehelen, netwerken en structuren. Alles wat gezien en/of gehoord wordt, wordt voorzien van een betekenis vanuit dit geheugen. Het auditief geheugen op lange termijn kan in het algemeen worden getraind door het voorlezen van verhaaltjes en het kind hierover achteraf (bijvoorbeeld direct na het voorlezen, na een dag of na een week) vragen te laten beantwoorden en/of het verhaaltje na te laten vertellen.

 

Dit doel verwerkt in 'Luister & doe mee!':

Dit aspect van het geheugen wordt optimaal gestimuleerd in Fase 2 en 3 van het 'Luister & doe mee!' programma. De verwerkingsvragen worden na ieder verhaaldeel aan het kind gesteld, waarbij zowel hoofdlijnen als details uit het verhaaldeel worden teruggevraagd. Het navertellen van het verhaal kan op uiteenlopende momenten geschieden. Er kan eveneens worden gekozen om het kind te laten vertellen met of zonder visuele ondersteuning van de 'Luister & doe mee!' verhaalplaatjes. 

 

Taalvaardigheden

'Luister & doe mee!' besteedt uitgebreid aandacht aan het stimuleren van de algemene taalvaardigheid, omdat luisteren en taal nauw met elkaar verbonden zijn. Kinderen die taalvaardig zijn, hebben onder andere meer mogelijkheden om gemiste auditieve informatie aan te vullen vanuit hun aanwezige voorkennis.

 

Passieve en actieve woordenschat

Woordkennis kan beschouwd worden als ‘de kern van taalvaardigheid’ (Verhallen en Verhallen, 1994). Zowel bij het leren van het klanksysteem en het grammaticale systeem van een taal als in het alledaagse en schoolse taalgebruik, spelen woorden een centrale rol. Om goed begrijpend te kunnen luisteren, moet het kind een beroep doen op vele verschillende vaardigheden. Het beschikken over voldoende woordkennis is hierbij een essentieel element.

 

Dit doel verwerkt in 'Luister & doe mee!':

In de themaverhalen van 'Luister & doe mee!' zijn, passend bij het talige ontwikkelings-niveau zowel concrete als abstracte woorden verwerkt. Ter uitbreiding van de passieve en actieve woordenschat staan de zelfstandig naamwoorden op woordkaartjes afgebeeld.

De woordkaartjes vormen een fundamenteel onderdeel bij het uitvoeren van opdrachten gedurende het interactief voorlezen, maar kunnen eveneens tijdens diverse andere werkvormen worden ingezet. In een overzicht bovenaan elk themaverhaal staan themagerelateerde werkwoorden en enkele bijpassende bijvoeglijk naamwoorden genoteerd, die naast de zelfstandige naamwoorden in de context van het thema geoefend kunnen worden. In alle fases van dit programma neemt de woordenschatontwikkeling dus een belangrijke plaats in.  

 

Zinsbegrip en zinsproductie

Onder zinsbegrip wordt verstaan het kunnen analyseren (door o.a. te letten op morfologie en syntaxis) en segmenteren (door een zin in woorden te verdelen) van het gesprokene. Zinsbegrip maakt onderdeel uit van het begrijpend luisteren. Naast het kunnen begrijpen van zinnen, speelt ook het kunnen vormen van zinnen een belangrijke rol in de communicatie. Naar gelang de zinsontwikkeling vordert, neemt zowel het begrip als de productie van de lengte (het aantal woorden per zin) en de complexiteit (morfologie en syntaxis) van de zinnen toe.

 

Dit doel verwerkt in 'Luister & doe mee!':

Naast een aantal werkvormen in Fase 1 en 3, wordt in Fase 2 het zinsbegrip in het bijzonder gestimuleerd. In Fase 2 leert het kind gedurende het interactieve voorleesverhaal meerdere mondeling gegeven opdrachten begrijpen, om deze vervolgens uit te voeren. Daarnaast worden na ieder verhaaldeel een aantal verwerkingsvragen gesteld. Deze verwerkingsvragen dienen niet alleen door het kind begrepen te worden, maar ook te worden beantwoord. Door de open vraagstelling wordt het kind aangemoedigd zijn gedachten op zinsniveau te verwoorden. 

 

Verhaalbegrip en vertelvaardigheid

Om tot begrip van een verhaal te komen, moet het kind kunnen analyseren en segmenteren van hetgeen er verteld wordt en moet het verbanden kunnen herkennen. Door passende beelden bij zichzelf op te roepen naar aanleiding van wat er verteld is,

kan het een mentale representatie opbouwen van de inhoud van een verhaal.

Om verhalen te kunnen vertellen, moet het kind zelfstandig een gespreksonderwerp gedurende meerdere uitingen kunnen vast houden (topic-handhaving) en kunnen structureren. Tevens moet het kind semantische relaties die een aaneenschakelend verband, tijdsrelaties en/of oorzakelijke relaties uitdrukken, beheersen en vorm kunnen geven. Het vormgeven veronderstelt dat het kind samengestelde zinnen kan maken (Van den Dungen en Verboog, 1993).

 

Dit doel verwerkt in 'Luister & doe mee!':

'Luister & doe mee!' richt zich in Fase 2, de interactieve voorleesfase, specifiek op het stimuleren van het verhaalbegrip. Tijdens het voorlezen vindt er interactie plaats tussen

de behandelaar en het kind over de inhoud van het verhaal.

Dit geschiedt door middel van de verwerkingsvragen. Daar een verhaal in 4 verhaaldelen

is opgedeeld, wordt de inhoud van een relatief kort stuk tekst samen met het kind besproken en wordt er een ‘rustmoment’ in het luisteren gecreëerd.

De reacties van het kind op de verwerkingsvragen geven een duidelijk beeld van wat het

tot dusver van het verhaal begrepen heeft. Indien nodig kan een verhaaldeel nogmaals worden voorgelezen en/of nader worden uitgelegd, waardoor een optimale leersituatie ontstaat.

 

In de afrondende fase van het programma richt 'Luister & doe mee!' zich vooral op het stimuleren van de vertelvaardigheid. Met ondersteuning van de verhaalplaatjes kan het chronologisch vertellen en het verwoorden van oorzaak-gevolg relaties worden geoefend. Het navertellen van het themaverhaal kan tevens worden ingezet om te achterhalen of het kind het verhaal geheel begrepen heeft. Ook de werkbladen ‘Ervaringsstrip’, ‘Ervaringstekening’ en het ‘Babbelblad’ kunnen ter stimulatie van de vertelvaardigheid worden ingezet.